Hoe ervaart u uw werk hier? Wat zijn de mooie en de moeilijke momenten?
Van in het begin koos ik voor een beroep waarin ik contact had met mensen. Ik wilde echt iets kunnen betekenen voor mensen. Ik wilde een klein verschil maken. In het beroep van verpleegkundige kan dat. Deze gedrevenheid is er nog altijd. De contacten met patiënten zijn aangenaam. Ik hou dan ook van verhalen en die krijg je wel te horen in ons beroep.
Waarom ben je nu net op oncologie gaan werken? Wat sprak je daartoe aan?
Van bij de start kreeg ik eerder toevallig een oncologische afdeling toegewezen. Na een korte periode voelde ik dat dit soort afdelingen mij ook echt lagen. Het is natuurlijk wel zo dat het voor patiënten confronterend is om een oncologische diagnose te krijgen. Je krijgt als verpleegkundige heel wat vragen zoals ‘in welk stadium zit ik’, ‘wat zijn mijn perspectieven’. Voor mij is het boeiend om voor deze patiënten te zorgen. Ik stel vast dat de meesten zich bewonderenswaardig snel herstellen van de eerste klap. Het is voor mijzelf en elke betrokken zorgverlener deugddoend om het leven van oncologische patiënten op één of andere manier aangenamer of dragelijker te maken.
Hoe doe je dat concreet?
Ik doe dat vooral door te luisteren naar de patiënt. Het is goed om het af en toe over andere domeinen te hebben en niet alléén over de ziekte. Natuurlijk komt de ziekte altijd wel terug boven, maar het doet mensen ook deugd als ze nog eens over hun beroep, over hun hobby’s, over hun familie of over hun verleden kunnen spreken. Het kan hun situatie wat in balans brengen. Voor veel mensen is dat helpend.
Wat is het verschil van uw rol met een arts?
De arts is verantwoordelijk voor het wetenschappelijk gedeelte van de ziekte: de behandeling, de prognose, … Terwijl de verpleging meer ‘het gezicht is van de zorg’, in die zin dat we dagelijks aan het bed van patiënten komen, vaak uren, veel meer dan een arts. Een arts zien ze maar enkele minuten per dag. Wij begeleiden hen tijdens hun ziekteproces, waardoor er een band ontstaat.
Het is goed om het af en toe over andere domeinen te hebben en niet alléén over de ziekte.
Terwijl je een band opbouwt met patiënten moet je regelmatig ook mensen laten gaan. Hoe ga je daarmee om?
Als je mij vraagt : ‘Hoe doet je dat?’, dan kan ik daar moeilijk op antwoorden. Voor mij hoort de dood bij het leven. Helaas houden veel mensen daar geen rekening mee en vinden ze de dood oneerlijk. Ze vinden het niet rechtvaardig. Voor mezelf draai ik dat wat om. De dood hoort bij het leven en zal komen op het moment dat hij komt. Dat maakt het voor mij wat gemakkelijker om met het overlijden van patiënten op mijn afdeling om te gaan. Wanneer ik in eigen familiekring geconfronteerd word met zo’n ziekteproces, dan voel ik meteen dat dat anders is. Het enige wat ik dan probeer is ‘aanvaarden’. Voor patiënten is dat soms een lang en moeilijk proces, maar het lijkt voor mij de enige ‘oplossing’. Dit wordt dan al dan niet gekaderd in een spirituele of gelovige context.
U spreekt nu van spiritualiteit, heeft u zelf een spiritualiteit?
Ik reken mij nog altijd bij mensen die geloven, alhoewel dat geloof voor mij eerder hoop is. Rationeel, is het allemaal moeilijk uit te leggen. Ik hoop dat het niet ophoudt bij de dood. Is dit een placebo die mij op dit vlak wat vertrouwen en rust geeft? Dat is moeilijk te zeggen, maar ik hoop inderdaad dat dit leven niet alles is. Dat nuanceert de dood dus ook een beetje, want er komt daarna nog iets.
Hoe zie je dat leven na de dood?
Daar kan ik me niets bij voorstellen. Ik ben daar ook niet echt mee bezig. Ik vind wel dat we ons in het Westen niet altijd realiseren dat een heel groot deel van de wereldbevolking, naar onze normen, geen kansen heeft. Dan hoop ik, voor al die mensen, dat er wel iets is. Ik ben daar zelf wel van overtuigd.
Als ik zie dat veel patiënten blij zijn voor wat ze wél hebben mogen beleven, dan is dat voor mij een stimulans om blij te zijn met de dingen en ervaringen ik al gehad heb.